

Het grondbeginsel
Het Wereldwijd Waterverdrag berust op de erkenning van water als levensnoodzakelijk, algemeen werelderfgoed. Water is geen natuurlijke grondstof als een andere. Water is een onvervangbare grondstof waarvoor geen alternatief bestaat, en daarom is het meer dan alleen maar een grondstof: het is een levensnoodzakelijk goed voor elk levend wezen en voor het hele ecosysteem aarde.
Ieder mens heeft, als individu en als lid van een gemeenschap, recht op dit levensnoodzakelijk goed. De toegang tot water en de plicht water te beschermen om als mens te overleven, ‘behoren’ tot de mensheid in haar geheel; ze kunnen onmogelijk als een soort individueel ‘privé’-eigendom worden beschouwd. Het gebruik en de bescherming van water zijn het resultaat van de geschiedenis van de mensheid, een patrimonium van kennis, handelingen, gebruiksmiddelen en organisaties waarop geen enkel individu privé-aanspraken kan maken. Daarom heb ik het over water als algemeen erfgoed. De voorwaarden en toegangsmiddelen tot water, de bescherming van water belangen niet het individu alleen aan, maar zijn een taak en een verantwoordelijkheid voor de hele mensheid, wat nogmaals het aspect van ‘algemeen erfgoed’ benadrukt. En als water een levensnoodzakelijk algemeen erfgoed is voor elke lokale gemeenschap (dorp, stad, streek, land, ...) dan zijn de manier, de voorwaarden en de middelen om het te gebruiken, te stimuleren en te beschermen eveneens verbonden met zijn levens-noodzakelijkheid voor het hele ecosysteem aarde. De mensheid, of met andere woorden de wereldgemeenschap, is bijgevolg de eerste betrokkene bij het algemene patrimoniale eigendom/bezit van water. Daarom is water een ‘werelderfgoed’.
© 2006 Universiteit voor het Algemeen Belang